Artikel 108
7 februari 1831
De provinciale en gemeentelijke instellingen worden bij de wet geregeld.
Die wetten verzekeren de toepassing van de volgende beginselen: 1 De rechtstreekse verkiezing, behoudens de uitzonderingen welke de wet kan invoeren, ten aanzien van de hoofden der gemeentebesturen en van de commissarissen der regering bij de provinciale raden; 2 Het opdragen, aan de provinciale raden en aan de gemeenteraden, van al wat van provinciaal en gemeentelijk belang is, behoudens de goedkeuring hunner handelingen, in de gevallen en op de wijze bepaald door de wet. 3 De openbaarheid van de vergaderingen der provinciale raden en der gemeenteraden binnen de grenzen door de wet gesteld; 4 De openbaarheid van de begrotingen en van de rekeningen; 5 De tussenkomst van de Koning of van de wetgevende macht om te beletten dat de provinciale raden en de gemeenteraden buiten hun bevoegdheid gaan en het algemeen belang krenken.